Zemst

11 novemberherdenking 2011

 

Toespraak van J. Goethals, namens vzw AZIZ

 

Deze week ben ik naar het Vredesinstituut van het Vlaams Parlement gegaan voor de plechtigheid met de titel ‘Oorlog herdenken om de vredesgedachte te versterken”.

De aanwezigen kregen het gloednieuwe boek “Honderd jaar Eerste wereldoorlog in het teken van vrede”. Dat boek is het resultaat van een onderzoek. De onderzoekers moesten evalueren op welke manieren de oorlogsherdenking in ons land gebeurt, om vervolgens advies te geven over de beste manieren om de komende herdenkingen te organiseren.

 

Bij het lezen van dit boek is me opgevallen dat de gemeente Zemst goed bezig is voor wat deelnemers aan de herdenking betreft.

De gemeente blijft de officiële herdenkingsplechtigheid organiseren met respect voor de jarenlange traditie, maar voegt daar hedendaagse elementen aan toe. Op die manier brengt ze de oud-strijders samen met mensen van alle leeftijden die de oorlog niet ervaren hebben.

De enige leeftijdscategorie die hier nog nooit aanwezig was, is de jeugd. Het is dit jaar weer niet gelukt, maar telkens weer wordt er geprobeerd om ze erbij te betrekken. Ze hebben er belang bij want de vredesgedachte is belangrijk voor hun eigen toekomst!

 

Met hulp van de vereniging AZIZ zijn er sinds 2004 telkens ook mensen bij uit hedendaagse oorlogsgebieden. Dit jaar zijn het twee Somaliërs die recent erkend werden als vluchteling volgens de Conventie van Genève (1951).  Recent ook werden nog anderen uit het centrum van OCMW erkend, Afghanen en Afrikanen. U herinnert zich misschien Mamadou uit Guinéé, hij is erkend. De Kirgiez Saip is vrijwillig terug gekeerd. De Afghaanse en de Somalische jongens van vorig jaar zijn afgewezen, maar kunnen niet terug naar hun land en wachten dus op een oplossing …

 

Het boek geeft ook het advies om gepaste inhoud aan de herdenkingsacties te geven.

Gepaste inhoud, namelijk inhoudelijke elementen om de herdenking in het teken van de vredesgedachte te zetten. Het advies is:

-          militaire aspecten en oorlogsromantiek vermijden

-          geen interpretaties die de historie gebruiken / misbruiken voor een nationalistisch doel 

-          de vrouwen niet vergeten, zowel hun bijdragen in oorlogstijd als in vredesopbouw

-          wel proberen om de mensen emotioneel te raken door verhalen en getuigenissen van gewone soldaten en burgers en kinderen

-          maar er daarbij voor zorgen dat mensen - en kinderen in het geval van het onderwijs – ook inzicht krijgen in de mechanismen die tot oorlog leiden.

Vrede is geen verworvenheid. Vrede kan alleen bewaard worden als mensen bewust zijn van de mechanismen die tot oorlog leiden.

Aan die bewustmaking kunnen we in Zemst nog beter werken.

 

*****

En ik doe dus mijn best om jullie te raken en een stukje overweging mee te geven.

Ik gebruik daarvoor het artikel van journaliste Veerle Beel in De Standaard van afgelopen woensdag.

Ze vergeleek 2 minderjarige Afghaanse asielzoekers met haar eigen zonen. De Afghaanse jongens zijn in België , haar eigen zonen zijn in het buitenland, de ene met een Erasmusbeurs en de andere met het internationale uitwisselingsprogramma AFS.

 

Onze zonen stapten met de juiste papieren en 20 kilo bagage op het vliegtuig. Hoeveel moeite heeft het de twee jonge Afghanen niet gekost om hier te geraken? De een verkocht de eigendom van zijn overleden ouders en spendeerde dat hele bedrag - 10.000 euro - aan mensensmokkelaars. Hij doet mij een lang en gepassioneerd relaas over moeilijkheden in zijn land, een oorlog die sporen trok dwars door zijn dorp en bommen die vielen op zijn huis. En ook over een vrachtwagen waarin hij bijna stikte, een lange voettocht door de bergen en een rubberbootje dat niet groter was dan een tafel. Hij stamelt het verhaal in een taal die nog niet geheel de zijne is, ongelukkig omdat hij niet de juiste woorden vindt.

De tweede was een jaar onderweg en bleef maandenlang steken in Griekenland. Hij bespaart mij zijn versie: 'Denkt u echt dat de mensen al die ellende willen lezen? Nee hoor.' Clevere gast.

Ze zijn minderjarig en dat geeft ze het recht op opvang. Ze gaan hier naar school. Hun toekomst hangt nog ergens in de mist. Ze durven niet ver vooruit te denken, want zullen ze wel mogen blijven in dit land van melk en honing? Wat als ze 18 worden? 'Weet u het?' vragen ze mij. Ik zeg dat ze het aan de directeur moeten vragen.

………………

Hoe kon hun familie hen laten gaan? Het is een vraag die de directeur van het opvangcentrum vaak moet beantwoorden.

Dan verwijst hij naar zijn schoonvader, die als 15-jarige naar het zuiden van Frankrijk werd gestuurd. Weg van de Duitse bezetters die hem voor hun leger konden opeisen. Hij kreeg daar thuis een nagelnieuwe fiets voor, een fortuin waard in die tijd. En dan lieten die ouders, zoals velen in Vlaanderen toen, hun puberzonen ook gaan. Weg van het gevaar.

Het is waar dat de meeste van die weggestuurde zonen na de oorlog zijn teruggekeerd (we kregen hier ook het marshall-plan!).

En het is even waar dat mijn zonen…. binnen het jaar allebei weer hier staan. Als ze daar langer dan de voorziene termijn blijven, worden ze ook sans-papiers, wat niet de bedoeling is. Ze moeten gelukkig niet terugkeren naar een land in oorlog, of naar een land waarin ze onder een boom moeten slapen en honger moeten lijden. Hooguit naar een land …waar ze, naar velen zeggen, niet meer zoveel zullen krijgen als onze generatie heeft gekregen. Dat is geen prettig vooruitzicht. ….

Maar het is hun toekomst; ze zullen moeten springen, in geloof, hoop en liefde. Net zoals die twee Afghaanse jongens.”