Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen

Ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Wet van 26 juni 1953 - B.S., 4 oktober 1953).

[Gewijzigd door het Protocol van New York op 31 januari 1967 (B.S., 3 mei 1969)]

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende, dat het Handvest van de Verenigde Naties en de op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering goedgekeurde Universele Verklaring van de Rechten van de Mens het beginsel hebben bevestigd, dat de menselijke wezens, zonder onderscheid, de fundamentele rechten van de mens en vrijheden dienen te genieten,

Overwegende, dat de Verenigde Naties bij verschillende gelegenheden blijk hebben gegeven van haar grote bezorgdheid voor de vluchtelingen en er naar gestreefd hebben de uitoefening van deze fundamentele rechten en vrijheden door de vluchtelingen in de grootst mogelijke mate te verzekeren,

Overwegende, dat het gewenst is de vroegere internationale overeenkomsten betreffende de status van vluchtelingen te herzien en te bevestigen en aan de toepassing van die overeenkomsten en aan de daarbij verleende bescherming uitbreiding te geven door middel van een nieuwe overeenkomst,

Overwegende, dat het verlenen van asiel voor bepaalde landen onevenredig grote lasten kan medebrengen en dat derhalve een bevredigende oplossing van een vraagstuk waarvan de Verenigde Naties de internationale omvang en het internationale karakter hebben erkend, niet zonder internationale solidariteit kan worden bereikt,

De wens tot uitdrukking brengende, dat alle Staten, het sociale en humanitaire karakter van het vluchtelingenvraagstuk erkennende, al het mogelijke zullen doen om te voorkomen, dat dit vraagstuk een oorzaak van spanning tussen Staten wordt,

Er van kennis nemende, dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen belast is met het toezicht op de toepassing van internationale verdragen, welke voorzien in de bescherming van vluchtelingen, en kennende, dat de doeltreffende coördinatie van de maatregelen welke worden genomen om dit vraagstuk op te lossen, zal afhangen van de samenwerking van de Staten met de Hoge Commissaris,

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Art. 1. Definitie van de term "vluchteling"

A.    Voor de toepassing van dit Verdrag geldt als "vluchteling" elke persoon:

  1. Die krachtens de Regelingen van 12 mei 1926 en 30 juni 1928 of krachtens de Overeenkomsten van 28 october 1933 en 10 februari 1938, het Protocol van 14 september 1939 of het Statuut van de Internationale Vluchtelingenorganisatie als vluchteling werd beschouwd. De door de Internationale Vluchtelingenorganisatie gedurende haar mandaat genomen beslissingen waarbij personen niet in aanmerking werden gebracht voor de bescherming en de hulp van die organisatie, vormen geen belemmering voor het verlenen van de status van vluchteling aan personen die aan de voorwaarden van lid 2 van deze afdeling voldoen;
  2. Die, […] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren. Indien een persoon meer dan één nationaliteit bezit, betekent de term "het land waarvan hij de nationaliteit bezit" elk van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit. Een persoon wordt niet geacht van de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, verstoken te zijn, indien hij, zonder geldige redenen ingegeven door gegronde vrees, de bescherming van één van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit, niet inroept.

B.    [Dit Verdrag is zonder enige geografische begrenzing van toepassing op alle Staten welke hierbij partij zijn.]

C.     Dit Verdrag houdt op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A, indien:

  1. Hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit;
  2. Hij, indien hij zijn nationaliteit had verloren, deze vrijwillig heeft herkregen;
  3. Hij een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit;
  4. Hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield;
  5. Hij niet langer kan blijven weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen, omdat de omstandigheden in verband waarmede hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan. Met dien verstande echter, dat dit lid niet van toepassing is op een vluchteling die onder lid 1 van afdeling A van dit artikel valt, en die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen;
  6. Hij, indien hij geen nationaliteit bezit, kan terugkeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden in verband waarmede hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan. Met dien verstande echter, dat dit lid niet van toepassing is op een vluchteling die onder lid 1 van afdeling A van dit artikel valt, en die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, terug te keren.

D     Dit Verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoger Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen.
Wanneer deze bescherming of bijstand om welke redenen ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.

E     Dit Verdrag is niet van toepassing op een persoon die door de bevoegde autoriteiten van het land waar hij zich heeft gevestigd, beschouwd wordt de rechten en verplichtingen te hebben, aan het bezit van de nationaliteit van dat land verbonden.

F.     De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:

  1. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
  2. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
  3. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Art. 2. Algemene verplichtingen

Elke vluchteling heeft plichten tegenover het land waarin hij zich bevindt. Deze plichten brengen in het bijzonder mede, dat de vluchteling zich houdt zowel aan de wetten en voorschriften als aan de maatregelen, genomen voor de handhaving van de openbare orde.

Art. 3. Non-discriminatie

De Verdragsluitende Staten zullen zonder onderscheid naar ras, godsdienst of land van herkomst de bepalingen van dit Verdrag op vluchtelingen toepassen.

Art. 4. Godsdienst

De Verdragsluitende Staten zullen de vluchtelingen op hun grondgebied ten minste even gunstig behandelen als hun onderdanen, wat betreft de vrijheid tot uitoefening van hun godsdienst en de vrijheid ten aanzien van de godsdienstige opvoeding van hun kinderen.

Art. 5. Rechten onafhankelijk van dit Verdrag verleend

Geen der bepalingen van dit Verdrag maakt inbreuk op de rechten en voordelen, welke door een Verdragsluitende Staat onafhankelijk van dit Verdrag aan vluchtelingen zijn verleend.

Art. 6. De term "onder dezelfde omstandigheden

Voor de toepassing van dit Verdrag houdt de term "onder dezelfde omstandigheden" in, dat een vluchteling voor de uitoefening van een recht moet voldoen aan alle eisen (waaronder begrepen die betreffende de duur van en de voorwaarden voor tijdelijk verblijf of vestiging) waaraan hij zou moeten voldoen indien hij geen vluchteling was, met uitzondering van de eisen waaraan, wegens hun aard, een vluchteling niet kan voldoen.

Art. 7. Vrijstelling van de voorwaarde van wederkerigheid

  1. Behoudens de gevallen dat dit Verdrag gunstiger bepalingen bevat, zal een Verdragsluitende Staat vluchtelingen op dezelfde wijze behandelen als vreemdelingen in het algemeen.
  2. Na een driejarig verblijf genieten alle vluchtelingen vrijstelling van de voorwaarden van wettelijke wederkerigheid op het grondgebied van de Verdragsluitende Staten.
  3. Elke Verdragsluitende Staat zal, bij het ontbreken van de voorwaarde van wederkerigheid op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Staat, aan de vluchtelingen de rechten en voordelen waarop zij reeds aanspraak konden maken, blijven verlenen.
  4. De Verdragsluitende Staten zullen in welwillende overweging nemen om aan vluchtelingen, bij het ontbreken van de voorwaarde van wederkerigheid, rechten en voordelen te verlenen buiten die waarop zij krachtens lid 2 en 3 aanspraak kunnen maken, alsmede om de vrijstelling van de voorwaarde van wederkerigheid uit te strekken tot vluchtelingen die niet aan de in lid 2 en 3 bedoelde voorwaarden voldoen.
  5. De bepalingen van lid 2 en 3 zijn zowel van toepassing op de rechten en voordelen, bedoeld in de artikelen 13, 18, 19, 21 en 22 van dit Verdrag, als op de rechten en voordelen, waarin dit Verdrag niet voorziet.

Art. 8. Vrijstelling van buitengewone maatregelen

De Verdragsluitende Staten zullen de buitengewone maatregelen welke kunnen worden genomen tegen de persoon, de goederen of de belangen van onderdanen van een vreemde Staat, niet enkel op grond van de nationaliteit toepassen op een vluchteling die formeel een onderdaan is van die Staat. De Verdragsluitende Staten die krachtens hun wetgeving niet het in dit artikel neergelegde algemene beginsel kunnen toepassen, zullen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen vrijstelling ten gunste van zodanige vluchtelingen verlenen.

Art. 9. Voorlopige maatregelen

Geen der bepalingen van dit Verdrag vormt een belemmering voor een Verdragsluitende Staat om, in tijd van oorlog of andere ernstige en buitengewone omstandigheden, ten aanzien van een bepaald persoon, de voorlopige maatregelen te nemen, welke deze Staat noodzakelijk acht voor zijn nationale veiligheid, in afwijking van de vaststelling door de Verdragsluitende Staat, dat die persoon werkelijk een vluchteling is en dat de handhaving van die maatregelen te zijnen aanzien noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid.

Art. 10. Ononderbroken verblijf

  1. Wanneer een vluchteling gedurende de Tweede Wereldoorlog is gedeporteerd en overgebracht naar het grondgebied van een Verdragsluitende Staat en aldaar verblijft, wordt de periode van een zodanig gedwongen tijdelijk verblijf beschouwd als regelmatig verblijf op dat grondgebied.
  2. Wanneer een vluchteling gedurende de Tweede Wereldoorlog is gedeporteerd uit het grondgebied van een Verdragsluitende Staat en vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag daarheen is teruggekeerd ten einde aldaar te verblijven, wordt de periode van verblijf vóór en na deze gedwongen verplaatsing, voor alle doeleinden waarvoor ononderbroken verblijf is vereist, beschouwd als één enkele ononderbroken periode.

Art. 11. Vluchtelingen-zeelieden

Indien vluchtelingen regelmatig als schepeling dienst doen aan boord van een schip dat de vlag voert van een Verdragsluitende Staat, zal die Staat in welwillende overweging nemen om hen toe te staan zich op zijn grondgebied te vestigen en om hun reisdocumenten te verstrekken of hen tijdelijk toe te laten op zijn grondgebied, in het bijzonder ten einde hun vestiging in een ander land te vergemakkelijken.

HOOFDSTUK II. JURIDISCHE STATUS

Art. 12. Persoonlijke staat

  1. De persoonlijke staat van een vluchteling wordt beheerst bij de wet van het land van zijn woonplaats, of, indien hij geen woonplaats heeft, van het land van zijn verblijf.
  2. De rechten welke een vluchteling vroeger heeft verkregen en welke uit de persoonlijke staat voortvloeien, in het bijzonder de rechten voortvloeiende uit het huwelijk, zullen door een Verdragsluitende Staat worden geëerbiedigd, behoudens dat, zo nodig, de vluchteling de bij de wet van die Staat vereiste formaliteiten moet vervullen. Deze bepaling is alleen van toepassing op rechten welke bij de wet van die Staat zouden zijn erkend indien de betrokkene geen vluchteling was geworden.

Art. 13. Roerende en onroerende goederen

De Verdragsluitende Staten zullen een vluchteling zo gunstig mogelijk behandelen en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden, wat betreft het verkrijgen van roerende en onroerende goederen en andere daarop betrekking hebbende rechten, alsmede huur en andere overeenkomsten betreffende roerende en onroerende goederen.

Art. 14. Auteursrechten en industriële eigendom

Wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, zoals uitvindingen, ontwerpen en modellen, handelsmerken, handelsnamen en de rechten op werken van letterkunde, kunst en wetenschap, geniet een vluchteling in het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, dezelfde bescherming als de onderdanen van dat land. Op het grondgebied van elke andere Verdragsluitende Staat geniet hij dezelfde bescherming als op dat grondgebied verleend aan de onderdanen van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.

Art. 15. Recht van vereniging

Wat betreft niet-politieke verenigingen, verenigingen zonder het oogmerk om winst te maken en vakverenigingen, zullen de Verdragsluitende Staten aan de regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen de meest gunstige behandeling verlenen, welke wordt toegekend aan onderdanen van een vreemd land onder dezelfde omstandigheden.

Art. 16. Rechtsingang

  1. Een vluchteling heeft het genot van rechtsingang op het grondgebied van alle Verdragsluitende Staten.
  2. Een vluchteling geniet in de Verdragsluitende Staat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, dezelfde behandeling als een onderdaan, wat betreft rechtsingang, waaronder begrepen rechtsbijstand en vrijstelling van de cautio judicatum solvi.
  3. In andere Verdragsluitende Staten dan die waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, geniet een vluchteling, wat betreft de in lid 2 bedoelde aangelegenheden, dezelfde behandeling als een onderdaan van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.

HOOFDSTUK III. WINSTGEVENDE ARBEID

Art. 17. Loonarbeid

  1. De Verdragsluitende Staten zullen aan de regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen de meest gunstige behandeling verlenen, welke wordt toegekend aan onderdanen van een vreemd land onder dezelfde omstandigheden, wat betreft het recht om loonarbeid te verrichten.
  2. In geen geval zullen de beperkende maatregelen welke voor vreemdelingen of voor de tewerkstelling van vreemdelingen ter bescherming van de nationale arbeidsmarkt gelden, worden toegepast op een vluchteling die er reeds van was vrijgesteld op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor de betrokken Verdragsluitende Staat, of die aan één van de volgende voorwaarden voldoet:
  3. De Verdragsluitende Staten zullen in welwillende overweging nemen, de rechten van alle vluchtelingen met betrekking tot loonarbeid gelijk te stellen met die van hun onderdanen en in het bijzonder van die vluchtelingen die hun grondgebied zijn binnengekomen ingevolge programma's van aanwerving van arbeidskrachten of ingevolge immigratieplannen.

Art. 18. Zelfstandige beroepen

De Verdragsluitende Staten zullen een regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchteling zo gunstig mogelijk behandelen en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden, wat betreft het recht om voor eigen rekening in landbouw, industrie, ambacht en handel werkzaam te zijn en commerciële of industriële vennootschappen op te richten.

Art. 19. Vrije beroepen

  1. Elke Verdragsluitende Staat zal de regelmatig op zijn grondgebied verblijvende vluchtelingen die houders zijn van diploma's welke door de bevoegde autoriteiten van die Staat worden erkend, en die een vrij beroep wensen uit te oefenen, zo gunstig mogelijk behandelen en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden.
  2. De Verdragsluitende Staten zullen al het mogelijke doen, overeenkomstig hun wetten en grondwetten, om de vestiging van zodanige vluchtelingen in gebieden buiten het moederland, voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk zijn, te verzekeren.

HOOFDSTUK IV. WELZIJN

Art. 20. Distributie

Wanneer een distributie-stelsel bestaat, dat op de gehele bevolking van toepassing is en de algemene verdeling van schaarse goederen regelt, zullen de vluchtelingen op dezelfde wijze worden behandeld als de onderdanen.

Art. 21. Huisvesting

Wat de huisvesting betreft, zullen de Verdragsluitende Staten, voor zover deze aangelegenheid geregeld is bij de wet of door voorschriften dan wel onderworpen is aan overheidstoezicht, de regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen zo gunstig mogelijk behandelen en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden.

Art. 22. Openbaar onderwijs

  1. De Verdragsluitende Staten zullen, wat het lager onderwijs betreft, de vluchtelingen op dezelfde wijze behandelen als de onderdanen.
  2. De Verdragsluitende Staten zullen de vluchtelingen zo gunstig mogelijk behandelen en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden, wat betreft de andere categorieën van onderwijs dan lager onderwijs en, in het bijzonder, wat betreft de toelating tot de studie, de erkenning van buitenlandse schoolcertificaten, universitaire diploma's en graden, de vermindering van studiegelden en de toekenning van beurzen.

Art. 23. Ondersteuning van overheidswege

De Verdragsluitende Staten zullen de regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen, wat de ondersteuning en bijstand van overheidswege te voorziening in het levensonderhoud betreft, op dezelfde wijze als hun onderdanen behandelen.

Art. 24. Arbeidswetgeving en sociale zekerheid

  1. De Verdragsluitende Staten zullen de regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen op dezelfde wijze behandelen als de onderdanen, wat de volgende aangelegenheden betreft:
  2. Het recht op schadeloosstelling wegens het overlijden van een vluchteling, veroorzaakt door een arbeidsongeval of een beroepsziekte, wordt niet aangetast door het feit, dat de rechthebbende buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Staat is gevestigd.
  3. De Verdragsluitende Staten zullen de voordelen van tussen hen gesloten of nog te sluiten overeenkomsten betreffende de handhaving van verkregen rechten of van rechten welker verkrijging een aanvang heeft genomen op het gebied van sociale zekerheid, uitstrekken tot vluchtelingen, voor zover deze voldoen aan de voorwaarden, gesteld aan de onderdanen van de Staten die partij zijn bij de overeenkomsten in kwestie.
  4. De Verdragsluitende Staten zullen in welwillende overweging nemen om, voor zover mogelijk, de voordelen van soortgelijke overeenkomsten welke van kracht zijn of zullen worden tussen deze Verdragsluitende Staten en niet-Verdragsluitende Staten, uit te strekken tot vluchtelingen.

HOOFDSTUK V. ADMINISTRATIEVE MAATREGELEN

Art. 25. Administratieve bijstand

  1. Wanneer de uitoefening van een recht door een vluchteling normaal de medewerking zou vereisen van buitenlandse autoriteiten op wie hij geen beroep kan doen, zullen de Verdragsluitende Staten op wier grondgebied hij verblijft zorg dragen, dat zodanige medewerking hem wordt verleend door hun eigen autoriteiten of door een internationale autoriteit.
  2. De in lid 1 bedoelde autoriteit of autoriteiten zullen aan vluchtelingen de documenten of verklaringen verstrekken of onder haar toezicht doen verstrekken, welke normaal aan vreemdelingen zouden worden verstrekt door of door tussenkomst van hun nationale autoriteiten.
  3. De aldus verstrekte documenten of verklaringen zullen strekken tot vervanging van de officiële bewijsstukken welke aan vreemdelingen door of door tussenkomst van hun nationale autoriteiten worden afgegeven, en zullen geloof verdienen behoudens tegenbewijs.
  4. Onverminderd de uitzonderingen welke ten gunste van behoeftigen worden toegestaan, mogen de in dit artikel genoemde diensten worden belast; maar deze heffingen moeten matig zijn en evenredig aan die welke aan de onderdanen voor soortgelijke diensten worden opgelegd.
  5. De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de artikelen 27 en 28.

Art. 26. Bewegingsvrijheid

Elke Verdragsluitende Staat zal aan de regelmatig op zijn grondgebied vertoevende vluchtelingen het recht verlenen er hun verblijf te kiezen en zich vrij op dat grondgebied te bewegen, onverminderd de voorschriften welke op vreemdelingen in het algemeen van toepassing zijn onder dezelfde omstandigheden.

Art. 27. Identiteitspapieren

De Verdragsluitende Staten zullen identiteitspapieren verstrekken aan elke vluchteling op hun grondgebied, die niet in het bezit is van een geldig reisdocument.

Art. 28. Reisdocumenten

  1. De Verdragsluitende Staten zullen aan de regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen reisdocumenten verstrekken voor het reizen buiten dat grondgebied, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten; de bepalingen van de Bijlage van dit Verdrag zijn van toepassing op deze documenten. De Verdragsluitende Staten kunnen een zodanig reisdocument verstrekken aan elke andere vluchtelingen op hun grondgebied; in het bijzonder zullen zij in welwillende overweging nemen, een zodanig reisdocument te verstrekken aan de vluchtelingen op hun grondgebied, die niet in staat zijn een reisdocument te verkrijgen van het land van hun regelmatig verblijf.
  2. De reisdocumenten welke krachtens vroegere internationale overeenkomsten door partijen daarbij aan vluchtelingen zijn verstrekt, zullen door de Verdragsluitende Staten worden erkend en behandeld alsof zij krachtens dit artikel aan de vluchtelinggen waren verstrekt.

Art. 29. Fiscale lasten

  1. De Verdragsluitende Staten zullen vluchtelingen niet aan andere of hogere rechten, heffingen of belastingen, van welke benaming ook, onderwerpen dan die welke worden of kunnen worden geheven ten aanzien van hun onderdanen in gelijke omstandigheden.
  2. Geen der bepalingen van het voorgaand lid vormt een belemmering voor de toepassing op vluchtelingen van de wetten en voorschriften betreffende de heffingen met betrekking tot de verstrekking aan vreemdelingen van administratieve documenten, waaronder begrepen identiteitspapieren.

Art. 30. Transfer van activa

  1. Elke Verdragsluitende Staat zal, overeenkomstig zijn wetten en voorschriften, aan vluchtelingen toestaan de activa welke zij binnen zijn grondgebied hebben gebracht, over te maken naar een ander land waar zij zijn toegelaten om zich opnieuw te vestigen.
  2. Elke Verdragsluitende Staat zal de verzoeken in welwillende overweging nemen, welke worden ingediend door vluchtelingen om toestemming te verkrijgen alle andere activa over te maken, welke noodzakelijk zijn voor hun nieuwe vestiging in een ander land waar zij zijn toegelaten.

Art. 31. Illegale vluchtelingen in het land van toevlucht

  1. De Verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onregelmatige binnenkomst of onregelmatig verblijf toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onregelmatige binnenkomst of onregelmatige aanwezigheid.
  2. De Verdragsluitende Staten zullen de bewegingsvrijheid van zodanige vluchtelingen niet verder beperken dan noodzakelijk; deze beperkingen zullen alleen worden toegepast totdat hun status in het land van toevlucht is geregeld of totdat zij er in geslaagd zijn toegelaten te worden in een ander land. De Verdragsluitende Staten zullen aan deze vluchtelingen een redelijk uitstel, alsmede de nodige faciliteiten, verlenen ten einde toelating te verkrijgen in een ander land.

Art. 32. Uitzetting

  1. De Verdragsluitende Staten zullen een regelmatig op hun grondgebied vertoevende vluchteling niet uitzetten behoudens om redenen van nationale veiligheid of openbare orde.
  2. De uitzetting van een zodanige vluchteling zal alleen mogen plaats vinden ter uitvoering van een besluit dat is genomen in overeenstemming met de wettelijk voorziene procedure. Behoudens indien dwingende redenen van nationale veiligheid zich daartegen verzetten, is het de vluchteling toegestaan bewijs over te leggen om zich vrij te pleiten, alsmede zich te wenden tot een bevoegde autoriteit en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij die autoriteit of bij één of meer speciaal door die bevoegde autoriteit aangewezen personen.
  3. De Verdragsluitende Staten zullen een zodanige vluchteling een redelijk uitstel gunnen ten einde hem in staat te stellen te pogen in een ander land regelmatig toegelaten te worden. De Verdragsluitende Staten behouden het recht, gedurende dat uitstel, zodanig interne maatregelen toe te passen als zij noodzakelijk achten.

Art. 33. Verbod tot uitzetting of terugleiding ("refoulement")

  1. Geen der Verdragsluitende Staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.
  2. Op de voordelen van deze bepaling kan evenwel geen aanspraak worden gemaakt door een vluchteling ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land.

Art. 34. Naturalisatie

De Verdragsluitende Staten zullen, voor zover mogelijk, de assimilatie en naturalisatie van vluchtelingen vergemakkelijken. Zij zullen in het bijzonder er naar streven de naturalisatieprocedure te bespoedigen en de tarieven en kosten van deze procedure zoveel mogelijk te verminderen.

HOOFDSTUK VI. UITVOERINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Art. 35. Samenwerking van de nationale autoriteiten met de Verenigde Naties

  1. De Verdragsluitende Staten verbinden zich om met het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, of elke andere organisatie van de Verenigde Naties die het mocht opvolgen, samen te werken in de uitoefening van zijn functie en zullen in het bijzonder zijn taak om toe te zien op de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag vergemakkelijken.
  2. Ten einde het Bureau van de Hoge Commissaris of elke andere organisatie van de Verenigde Naties die het mocht opvolgen, in staat te stellen rapporten in te dienen bij de bevoegde organen van de Verenigde Naties, verbinden de Verdragsluitende Staten zich om aan eerstgenoemde organisatie in de daarvoor in aanmerking komende vorm de gevraagde inlichtingen en statistische gegevens te verschaffen betreffende:
    1. de status van vluchtelingen;
    2. de tenuitvoerlegging van dit Verdrag;
    3. de wetten, voorschriften en besluiten, welke met betrekking tot vluchtelingen van kracht zijn of van kracht zullen worden.

Art. 36. Inlichtingen betreffende de nationale wetten en voorschriften

De Verdragsluitende Staten zullen aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling doen van de wetten en voorschriften, welke zij mochten aannemen om de toepassing van dit Verdrag te verzekeren.

Art. 37. Betrekking tot vroegere overeenkomsten

Onverminderd de bepalingen van artikel 28, lid 2, vervangt dit Verdrag tussen de daarbij aangesloten partijen de Regelingen van 5 juli 1922, 31 mei 1924, 12 mei 1926, 30 juni 1928 en 30 juli 1935, de Overeenkomsten van 28 october 1933 en 10 februari 1938, het Protocol van 14 september 1939 en de Overeenkomst van 15 october 1946.

HOOFDSTUK VII. SLOTBEPALINGEN

Art. 38. Beslechting van geschillen

Elk geschil tussen partijen bij dit Verdrag betreffende de uitlegging of toepassing daarvan, hetwelk niet op andere wijze kan worden beslecht, zal op verzoek van één van de partijen bij het geschil worden voorgelegd aan het Internationaal Gerechtshof.

Art. 39. Ondertekening, bekrachtiging en toetreding

  1. Dit Verdrag staat op 28 juli 1951 te Genève open voor ondertekening en zal nadien worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Het zal op het Europees Bureau van de Verenigde Naties voor ondertekening openstaan van 28 juli tot 31 augustus 1951, terwijl het opnieuw voor ondertekening zal worden opengesteld op de Zetel van de Verenigde Naties van 17 september 1951 tot 31 december 1952.
  2. Dit Verdrag staat voor ondertekening open voor alle Staten-Leden van de Verenigde Naties, alsmede voor elke andere Staat die werd uitgenodigd voor de Diplomatieke Conferentie betreffende de status van vluchtelingen en Staatloze personen, dan wel tot wie de Algemene Vergadering een uitnodiging tot ondertekenen zal hebben gericht. Het zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
  3. Dit Verdrag staat van 28 juli 1951 af open voor toetreding door de Staten, bedoeld in lid 2 van dit artikel. Toetreding zal plaats vinden door de nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Art. 40. Territoriale toepassingsclausule

  1. Iedere Staat mag bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding verklaren, dat dit Verdrag eveneens van toepassing is op het geheel of een deel der grondgebieden voor welker internationale betrekkingen die Staat verantwoordelijk is. Een zodanige verklaring zal van kracht worden op het ogenblik van inwerkingtreding van het Verdrag voor de betrokken Staat.
  2. Te allen tijde nadien zal een zodanige uitbreiding geschieden door middel van een tot de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving en van kracht worden op de negentigste dag, volgend op de datum waarop de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties de kennisgeving heeft ontvangen of op de datum van inwerkingtreding van het verdrag voor de betrokken Staat, indien deze datum later is.
  3. Wat betreft de grondgebieden waarop dit Verdrag bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding niet van toepassing is, zal elke betrokken Staat de mogelijkheid onderzoeken om zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen te nemen ten einde de toepassing van dit Verdrag uit te breiden tot bedoelde gebieden, behoudens de toestemming der regeringen van deze gebieden, in de gevallen waarin zulks om constitutionele redenen vereist mocht zijn.

Art. 41. Federale clausule

In het geval van een federale of niet-eenheidsstaat, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. Wat betreft de artikelen van dit Verdrag, welke vallen binnen de wetgevende bevoegdheid van de federale wetgevende macht, zullen de verplichtingen van de federale Regering in dit opzicht dezelfde zijn als die van de Partijen die geen federale Staten zijn;
  2. Wat betreft de artikelen van dit Verdrag, welke vallen binnen de wetgevende bevoegdheid van de samengestelde Staten, provincies of cantons, die krachtens het constitutionele stelsel van de federatie niet gehouden zijn wetgevende maatregelen te nemen, zal de federale Regering bedoelde artikelen zo spoedig mogelijk met een gunstige aanbeveling ter kennis brengen van de bevoegde autoriteiten der Staten, provincies of cantons;
  3. Een federale Staat die partij is bij dit Verdrag, zal, op het door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties overgebrachte verzoek van enige andere Verdragsluitende Staat, een verklaring verstrekken van de in de federatie en haar samengestelde delen geldende wetten en gebruiken met betrekking tot enige bepaling van het Verdrag, waaruit blijkt in hoeverre door een wettelijke of andere maatregel uitvoering is gegeven aan die bepaling.

Art. 42. Voorbehouden

  1. Bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding mag elke Staat voorbehouden ten aanzien van artikelen van dit Verdrag maken, met uitzondering van de artikelen 1, 3, 4, 16 (1), 33, 36 tot en met 46.
  2. Elke Verdragsluitende Staat die overeenkomstig lid 1 van dit artikel een voorbehoud maakt, kan het voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een daartoe strekkende mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Art. 43. Inwerkingtreding

  1. Dit Verdrag zal in werking treden op de negentigste dag, volgend op de datum van nederlegging van de zesde akte van bekrachtiging of toetreding.
  2. Voor elke Staat die na de nederlegging van de zesde akte van bekrachtiging of toetreding het Verdrag bekrachtigt of daartoe toetreedt, zal het Verdrag in werking treden op de negentigste dag, volgens op de datum van de nederlegging door de Staat van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

Art. 44. Opzegging

  1. Elke Verdragsluitende Partij mag dit Verdrag te allen tijde opzegging door middel van een tot de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving.
  2. De opzegging zal voor de betrokken Staat van kracht worden één jaar na de datum waarop de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is ontvangen.
  3. Elke Staat die op grond van artikel 40 een verklaring of een kennisgeving heeft gedaan, mag, te allen tijde nadien, door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, verklaren, dat één jaar nadat de Secretaris-Generaal deze kennisgeving heeft ontvangen, het Verdrag niet langer van toepassing zal zijn op het in de kennisgeving aangegeven grondgebied.

Art. 45. Herziening

  1. Elke Verdragsluitende Staat mag te allen tijde, door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, om herziening van dit Verdrag verzoeken.
  2. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zal aanbevelen welke stappen, zo nodig, naar aanleiding van dit verzoek dienen te worden genomen.

Art. 46. Kennisgevingen door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zal aan alle Staten-Leden van de Verenigde Naties en aan de niet-Leden, bedoeld in artikel 39, mededeling doen van:

  1. de verklaringen en kennisgevingen overeenkomstig afdeling B, van artikel 1;
  2. de ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen overeenkomstig artikel 39;
  3. de verklaringen en kennisgevingen overeenkomstig artikel 40;
  4. de voorbehouden, gemaakt of ingetrokken overeenkomstig artikel 42;
  5. de datum waarop dit Verdrag in werking treedt overeenkomstig artikel 43;
  6. de opzeggingen en kennisgevingen overeenkomstig artikel 44;
  7. de verzoeken tot herziening overeenkomstig artikel 45.

Roicast Audit v7.0