Overeenkomst van 15 juni 1990 betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend

Ondertekend te Dublin op 15 juni 1990 -  Wet van 11 mei 1995 (B.S., 30 september 1995).

Art.1.

  1. In de zin van deze overeenkomst wordt verstaan onder:
    1. vreemdeling: een ieder die geen onderdaan van een Lid-Staat is;
    2. asielverzoek: verzoek waarmee een vreemdeling bij een Lid-Staat de bescherming vraagt uit hoofde van het Verdrag van Genève met een beroep op de statu van vluchteling in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York;
    3. asielzoeker: een vreemdeling die een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen definitief besluit is genomen;
    4. behandeling van een asielverzoek: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van de bevoegde instanties over een asielverzoek, met uitzondering van de procedures waarbij wordt bepaald welke Lid-Staat krachtens de bepalingen van deze overeenkomst verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek;
    5. verblijfstitel: een door de autoriteiten van een Lid-Staat afgegeven vergunning waarbij het een vreemdeling wordt toegestaan op het grondgebied van die Lid-Staat te verblijven, met uitzondering van visa en van verblijfsvergunningen die worden afgegeven voor de duur van het onderzoek van een aanvraag voor een verblijfstitel of een asielverzoek;
    6. inreisvisum: vergunning of beslissing van een Lid-Staat waarbij het een vreemdeling wordt toegestaan het grondgebied van die Lid-Staat binnen te komen mits aan de andere inreisvoorwaarden is voldaan;
    7. transitvisum: vergunning of beslissing van een Lid-Staat waarbij het een vreemdeling wordt toegestaan over het grondgebied van die Lid-Staat te reizen of zich in de transitzone van een haven of luchthaven op te houden, mits aan de andere doorreisvoorwaarden is voldaan.
  2. De aard van het visum wordt beoordeeld aan de hand van de begripsbepalingen van lid 1, sub f) en g).

Art. 2.

De Lid-Staten herbevestigen hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York, zonder enige geografische beperking van het toepassingsgebied van deze akten, en hun verbintenis om met de diensten van de hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen samen te werken voor de toepassing van die akten.

Art. 3.

  1. De Lid-Staten verbinden zich ertoe het asielverzoek van elke vreemdeling dat aan de grens of op het grondgebied van een hunner wordt ingediend, in behandeling te nemen.
  2. Het asielverzoek wordt behandeld door één Lid-Staat, die wordt aangewezen volgens de criteria van de artikelen 4 tot en met 8. Deze criteria zijn van toepassing in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst.
  3. Het asielverzoek wordt door deze Staat behandeld overeenkomstig zijn nationale wetgeving en zijn internationale verplichtingen.
  4. Elke Lid-Staat heeft het recht om een door een vreemdeling bij hem ingediend asielverzoek te behandelen, ook al is hij op grond van de in deze overeenkomst vastgestelde criteria daartoe niet verplicht, op voorwaarde dat de asielzoeker daarmee instemt.

De Lid-Staat die op grond van voornoemde criteria verantwoordelijk is, is daarmee ontheven van zijn verplichtingen, welke overgaan op de Lid-Staat die het asielverzoek wil behandelen. Deze laatste Staat stelt de Lid-Staat die op grond van voornoemde criteria verantwoordelijk is daarvan in kennis indien het verzoek bij deze Lid-Staat aanhangig is gemaakt.

  1. Iedere Lid-Staat behoudt de mogelijkheid om, overeenkomstig zijn nationale recht en met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Genève, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York, een asielzoeker naar een derde land te zenden.
  2. De procedure waarbij wordt vastgesteld welke Lid-Staat overeenkomstig deze overeenkomst verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, vangt aan zodra het asielverzoek voor de eerste maal bij een Lid-Staat wordt ingediend.
  3. De asielverzoeker die zich in een andere Lid-Staat ophoudt en daar een asielverzoek heeft ingediend na zijn verzoek te hebben ingetrokken tijdens de procedure waarbij wordt vastgesteld welke Staat verantwoordelijk is, moet door de Lid-Staat bij wie het asielverzoek werd ingediend, op de in artikel 13 vastgestelde wijze worden teruggenomen, ten einde de procedure waarbij wordt vastgesteld welke Staat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek af te ronden.

Art. 4.

Wanneer een gezinslid van de asielzoeker als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York, in een Lid-Staat is erkend en legaal in deze Lid-Staat verblijft, is deze Staat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek, mits de betrokkenen zulks wensen.

Het betrokken gezinslid mag slechts zijn echtgenoot van de asielzoeker, diens ongehuwd kind beneden de 18 jaar of, indien de asielzoeker zelf een ongehuwd kind beneden de 18 jaar is, diens vader of moeder.

Art. 5.

  1. Wanneer de asielzoeker houder is van een een geldige verblijfstitel, is de Lid-Staat die deze titel heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.
  2. Wanneer de asielzoeker houder is van een geldig visum, is de Lid-Staat die dat visum heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek, behalve in de volgende gevallen:
    1. indien dat visum is afgegeven op grond van een schriftelijke machtiging van een andere Lid-Staat, is deze laatste verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek. Wanneer een Lid-Staat onder andere om redenen van veiligheid, vooraf de centrale autoriteiten van een andere Lid-Staat raadpleegt, vormt de instemming van deze laatste Lid-Staat geen schriftelijke machtiging in de zin van deze bepaling;
    2. indien de asielzoeker houder is van een transitvisum en zijn asielverzoek indient in een andere Lid-Staat waar hij niet visumplichtig is, is deze laatste Staat verantwoordelijk voor de behandeling van dat verzoek;
    3. indien de asielzoeker houder is van een transitvisum en zijn asielverzoek indient in de Lid-Staat die hem dat visum heeft verstrekt en deze van de diplomatieke of consulaire autoriteiten van de Lid-Staat van bestemming de schriftelijke bevestiging heeft gekregen dat de vreemdeling die niet visumplichtig is voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot die Staat, is deze laatste Staat verantwoordelijk voor de behandeling van dat verzoek.
  3. Wanneer de asielzoeker houder is van verscheidene geldige verblijfstitels of visa die door verschillende Lid-Staten zijn afgegeven, is de Lid-Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek:
    1. de Staat die de verblijfstitel met het langste verblijfsrecht heeft afgegeven of, indien deze verblijfstitels dezelfde geldigheidsduur hebben, de Staat die de verblijfstitel heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt;
    2. de Staat die het visum heeft verstrekt waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt, wanneer de visa van dezelfde aard zijn;
    3. wanneer de visa van verschillende aard zijn, de Staat die het visum met de langste geldigheidsduur heeft verstrekt of, indien de visa dezelfde geldigheidsduur hebben, de Staat die het visum heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt. Deze bepaling is niet van toepassing indien de asielzoeker houder is van één of meer transitvisa die zijn afgegeven op vertoon van een inreisvisum voor een andere Lid-Staat. In dat geval is deze Lid-Staat verantwoordelijk.
  1. Wanneer de asielzoeker slechts houder is van één of meer verblijfstitels die minder dan twee jaar zijn verlopen of van één of meer visa die minder dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een Lid-Staat, zijn leden 1, 2 en 3 van dit artikel van overeenkomstige toepassing zolang de vreemdeling het grondgebied van de Lid-Staten niet heeft verlaten.
  2. Wanneer de asielzoeker houder is van één of meer verblijfstitels die meer dan twee jaar zijn verlopen of van één of meer visa die meer dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een Lid-Staat, en de vreemdeling het grondgebied van de Lid-Staten niet heeft verlaten, is de Lid-Staat waar het asielsverzoek is ingediend verantwoordelijk.

Art. 6.

Wanneer een asielzoeker, komend uit een Staat die geen lid is van de Europese Gemeenschappen, via het land, de zee of de lucht op illegale wijze de grens van een Lid-Staat heeft overschreden, dan is de Lid-Staat via welke hij aantoonbaar is binnengekomen, verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

Deze Lid-Staat is echter niet meer verantwoordelijk indien het bewijs wordt geleverd dat een asielzoeker vóór de indiening van het verzoek ten minste zes maanden heeft doorgebracht in de Lid-Staat waar hij zijn verzoek heeft ingediend. In dat geval is deze laatste Lid-Staat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

Art. 7.

  1. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek berust bij de Lid-Staat die verantwoordelijk is voor de controle bij binnenkomst van de vreemdeling op het grondgebied van de Lid-Staten, behalve wanneer een vreemdeling het grondgebied van een Lid-Staat waar hij niet visumplichtig is, legaal betreedt en vervolgens een asielverzoek indient in een andere Lid-Staat waar hij evenmin visumplichtig is voor de toegang tot het grondgebied. In dat geval is deze laatste Staat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.
  2. Zolang er geen overeenkomst tussen de Lid-Staten is over de bepalingen die zullen gelden voor het overschrijden van de buitengrenzen, wordt de Lid-Staat die toestemming verleent om de transitzone van zijn luchthavens zonder visum te passeren, niet geacht verantwoordelijk te zijn voor de controle bij binnenkomst ten aanzien van reizigers die de transitzone niet verlaten.
  3. Wanneer het asielverzoek wordt ingediend in de transitzone aan een luchthaven van een Lid-Staat, is deze Lid-Staat verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

Art. 8.

Wanneer op basis van de overige in deze overeenkomst vastgestelde criteria geen Lid-Staat kan worden aangewezen die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, is de Lid-Staat waarbij het verzoek het eerst werd ingediend verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

Art. 9.

Iedere Lid-Staat kan, ook wanneer hij met toepassing van de in deze overeenkomst vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, om redenen van humanitaire aard, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, op verzoek van een andere Lid-Staat en op voorwaarde dat de asielzoeker ermee instemt, een asielverzoek behandelen. Indien de aangezochte Lid-Staat dat verzoek inwilligt, wordt de verantwoordelijkheid voor de behandeling aan deze Staat overgedragen.

Art. 10.

  1. De Lid-Staat die op grond van de criteria van deze overeenkomst verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, is verplicht:
    1. een asielzoeker die in een andere Lid-Staat zijn verzoek heeft ingediend, volgens de in artikel 11 bepaalde voorwaarden over te nemen;
    2. het asielverzoek volledig te behandelen;
    3. een asielzoeker wiens verzoek in behandeling is en die zich illegaal in een andere Lid-Staat ophoudt, volgens de in artikel 13 bepaalde voorwaarden opnieuw toe te laten of terug te nemen;
    4. een asielzoeker die zijn verzoek tijdens de behandeling heeft ingetrokken en die in een andere Lid-Staat een asielverzoek heeft ingediend, volgens de in artikel 13 bepaalde voorwaarden terug te nemen;
    5. een vreemdeling wiens verzoek hij heeft afgewezen en die zich illegaal in een andere Lid-Staat ophoudt, volgens de in artikel 13 bepaalde voorwaarden terug te nemen.
  2. Indien een Lid-Staat aan de asielzoeker een verblijfstitel met een geldigheidsduur van meer dan drie maanden verstrekt, dient hij de in lid 1, sub a) tot en met e), genoemde verplichtingen na te komen.
  3. De in lid 1, sub a) tot en met d), genoemde verplichtingen komen te vervallen indien de betrokken vreemdeling het grondgebied van de Lid-Staten gedurende ten minste drie maanden heeft verlaten.
  4. De in lid 1, sub d) en e), genoemde verplichtingen komen te vervallen indien de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, na de intrekking of afwijzing van het verzoek, de nodige maatregelen heeft genomen en daadwerkelijk ten uitvoer heeft gelegd opdat de vreemdeling zich begeeft naar zijn land van herkomst dan wel naar een ander land waar hij legaal mag binnenkomen.

Art. 11.

  1. De Lid-Staat waarbij een asielverzoek is ingediend en die van mening is dat een andere Lid-Staat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, kan deze Lid-Staat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen zes maanden na het indienen van dit verzoek om overname verzoeken.

Indien er binnen zes maanden geen verzoek tot overname plaatsvindt, is de Staat waarbij het asielverzoek is ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

  1. Het verzoek tot overname dient gegevens te bevatten op grond waarvan de autoriteiten van de aangezochte Staat kunnen vaststellen dat deze Staat op grond van de criteria van deze overeenkomst verantwoordelijk is.
  2. Welke Staat met toepassing van deze criteria verantwoordelijk is, wordt vastgesteld op grond van de situatie op het tijdstip dat de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een Lid-Staat indient.
  3. De Lid-Staat dient binnen drie maanden na het verzoek tot overname hierover een besluit te nemen. Het laten verstrijken van deze termijn zonder dat antwoord wordt gegeven, staat gelijk met aanvaarding van het verzoek tot overname.
  4. De overdracht van de asielzoeker vanuit de Lid-Staat waarbij het asielverzoek is ingediend, aan de verantwoordelijke Lid-Staat moet plaatsvinden uiterlijk een maand na de aanvaarding van het verzoek tot overname of een maand na de beëindiging van de geschilprocedure die eventueel door de vreemdeling tegen het besluit tot overdracht is aangespannen, indien aan die procedure schorsende werking is verbonden.
  5. De overnameregeling ken later nader worden uitgewerkt door middel van bepalingen die met toepassing van artikel 18 worden vastgesteld.

Art. 12.

Wanneer een asielverzoek bij de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat wordt ingediend door een asielzoeker die zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat bevindt, wordt door de Lid-Staat op wiens grondgebied de asielzoeker zich bevindt, vastgesteld welke Lid-Staat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Deze Lid-Staat wordt hiervan onverwijld in kennis gesteld door de Lid-Staat waarbij het asielverzoek is ingediend en wordt dan, voor de toepassing van de overeenkomst, beschouwd als de Lid-Staat waarbij het asielverzoek is ingediend.

Art. 13.

  1. De terugname van een asielzoeker in de in artikel 3, lid 7, en artikel 10, genoemde gevallen geschiedt overeenkomstig de volgende bepalingen:
    1. het verzoek tot terugname dient gegevens te bevatten op grond waarvan de aangezochte Staat kan vaststellen dat hij op grond van het bepaalde in artikel 3, lid 7, en artikel 10, verantwoordelijk is;
    2. de voor terugname aangezochte Staat is verplicht binnen acht dagen nadat het verzoek aan hem is voorgelegd, op het hem gedane verzoek te antwoorden. Hij is verplicht de asielzoeker zo spoedig mogelijk en uiterlijk één maand nadat hij de terugname heeft aanvaard daadwerkelijk terug te nemen.
  2. De terugnameregeling kan later nader worden uitgewerkt door middel van bepalingen die met toepassing van artikel 18 worden vastgesteld.

Art. 14.

  1. De Lid-Staten wisselen informatie uit over:
  2. De Lid-Staten kunnen algemene informatie uitwisselen over:
  3. Wanneer de Lid-Staat die de in lid 2 bedoelde informatie verstrekt, wenst dat deze informatie vertrouwelijk wordt behandeld, dienen de andere Lid-Staten dat te respecteren.

Art. 15.

  1. Elke Lid-Staat verstrekt aan alle Lid-Staten die daarom verzoeken de individuele informatie die noodzakelijk is voor:
  2. Deze informatie heeft slechts betrekking op:
  3. Bovendien kan een Lid-Staat een andere Lid-Staat verzoeken hem de door de asielzoeker opgegeven redenen ter staving van zijn verzoek en, in voorkomend geval, de redenen van de jegens betrokkene genomen beslissing, mee te delen. De aangezochte Lid-Staat beoordeelt of hij aan het tot hem gerichte verzoek gevolg kan geven. In ieder geval is voor het doorgeven van deze inlichtingen de toestemming van de asielzoeker vereist.
  4. Deze uitwisseling van informatie vindt plaats op verzoek van een Lid-Staat en mag slechts geschieden tussen de door iedere Lid-Staat daartoe aangewezen autoriteiten, waarvan kennisgeving is gedaan aan het Comité van artikel 18.
  5. De uitgewisselde informatie mag slechts voor de in lid 1 genoemde doeleinden worden gebruikt. In elke Lid-Staat mag deze informatie slechts worden meegedeeld aan de autoriteiten en rechterlijke instanties die belast zijn met:
  6. De Lid-Staat die de gegevens meedeelt, is verplicht erop toe te zien dat deze juist en bijgewerkt zijn. Wanneer blijkt dat deze Lid-Staat onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens die niet meegedeeld hadden mogen worden, worden de ontvangende Lid-Staten daarvan onverwijld op de hoogte gebracht. Zij zijn verplicht deze informatie te corrigeren of te verwijderen.
  7. Een asielzoeker heeft, op zijn verzoek, het recht van kennisneming omtrent de informatie die over hem is verstrekt, zolang die informatie beschikbaar is. Indien hij constateert dat deze informatie onjuist is of niet verstrekt had mogen worden, heeft hij het recht te eisen dat deze wordt gecorrigeerd of wordt verwijderd. Het bepaalde in lid 6 is van toepassing op de gecorrigeerde gegevens.
  8. Elke betrokken Lid-Staat is verplicht de mededeling en de ontvangst van de uitgewisselde informatie schriftelijk vast te leggen.
  9. De betrokken gegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor het doel waarvoor zij uitgewisseld zijn. De noodzaak van verdere bewaring van de gegevens wordt door de betrokken Lid-Staat op het geëigende moment beoordeeld.
  10. In ieder geval dient de verstrekte informatie tenminste dezelfde bescherming te krijgen als die welke de ontvangende Staat verleent aan informatie van dezelfde aard.
  11. Indien de gegevens niet automatisch, maar op een andere wijze verwerkt worden, moet elke Lid-Staat passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het bepaalde in dit artikel door middel van doeltreffende controlemiddelen wordt nageleefd. Indien een Lid-Staat over een dienst als bedoeld in punt 12 hieronder beschikt, kan hij deze dienst met deze controlerende taken belasten.
  12. Wanneer één of meer Lid-Staten de verwerking van alle of van een gedeelte van de in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens willen automatiseren, is dit slechts toegestaan indien de betrokken landen wettelijke bepalingen betreffende deze verwerking hebben aangenomen waardoor uitvoering wordt gegeven aan de beginselen van het Verdrag van Straatsburg van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en zij een passende nationale instantie hebben aangewezen die belast is met de onafhankelijke controle op de verwerking en benutting van de uit hoofde van deze overeenkomst meegedeelde gegevens.

Art. 16.

  1. Elke Lid-Staat mag ontwerpen tot herziening van deze overeenkomst aan het Comité bedoeld in artikel 18 voorleggen, die moeilijkheden bij de toepassing moeten voorkomen.
  2. Indien blijkt dat deze overeenkomst aan herziening of wijziging toe is ingevolge de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en deze verwezenlijking met name samenhangt met de tenuitvoerlegging van een geharmoniseerd asielbeleid en een gemeenschappelijk visumbeleid, belegt de Lid-Staat die het Voorzitterschap van de Raad van de Europese Gemeenschap uitoefent een vergadering van het Comité bedoeld in artikel 18.
  3. De herzieningen of de wijzigingen van deze overeenkomst worden aangenomen door het Comité bedoeld in artikel 18. Deze treden in werking conform de procedure van artikel 22.

Art. 17.

  1. Wanneer een Lid-Staat ernstige moeilijkheden ondervindt ten gevolge van een ingrijpende verandering van de omstandigheden die bestonden op het ogenblik van de sluiting van deze overeenkomst, kan die Staat zijn moeilijkheden voorleggen aan het Comité bedoeld in artikel 18, opdat dit Comité de Lid-Staten maatregelen voorstelt om aan deze situatie het hoofd te bieden of de herzieningen c.q. wijzigingen aanneemt die in deze overeenkomst dienen te worden aangebracht en die onder de in artikel 16, lid 3, genoemde voorwaarden in werking treden.
  2. Indien de in lid 1 bedoelde situatie na zes maanden nog bestaat, kan het Comité, dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 18, lid 2, een besluit neemt, de door die verandering getroffen Lid-Staat machtigen de toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst tijdelijk op te schorten, zonder dat hierdoor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of de naleving van andere internationale verplichtingen van de Lid-Staten in het gedrang mag komen.
  3. Tijdens de in lid 2 bedoelde opschorting vervolgt het Comité, indien het voordien geen overeenstemming heeft bereikt, zijn werkzaamheden met het oog op een herziening van deze overeenkomst.

Art. 18.

  1. Er wordt een Comité ingesteld dat bestaat uit één vertegenwoordiger van de Regering van elke Lid-Staat.

Het Voorzitterschap van dit Comité wordt waargenomen door de Lid-Staat die het Voorzitterschap van de Raad van de Europese Gemeenschappen uitoefent.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen kan deelnemen aan de besprekingen in het Comité en in de werkgroepen als bedoeld in lid 4.

  1. Het Comité heeft tot taak op verzoek van één of meer Lid-Staten elke aangelegenheid van algemene aard betreffende de toepassing en de interpretatie van deze overeenkomst te bespreken.

Het Comité stelt de maatregelen vast die bedoeld zijn in artikel 11, lid 6, alsmede in artikel 13, lid 2, en verleent de in artikel 17, lid 2, bedoelde machtiging.

Het Comité neemt krachtens de artikelen 16 en 17 de herzieningen of de wijzigingen van deze overeenkomst aan.

  1. De besluiten van het Comité worden bij eenparigheid van stemmen genomen, tenzij het Comité krachtens artikel 17, lid 2, een besluit neemt. In laatstgenoemd geval neemt het Comité zijn besluiten met een meerderheid van twee derde van de stemmen van zijn leden.
  2. Het Comité stelt zijn reglement vast en mag werkgroepen instellen.

Het secretariaat van het Comité en van de werkgroepen wordt waargenomen door het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen.

Art. 19.

De bepalingen van deze overeenkomst zijn voor wat betreft het Koninkrijk Denemarken niet van toepassing op de Faeröer en op Groenland. Het Koninkrijk Denemarken kan evenwel door een verklaring die te allen tijde kan worden nedergelegd bij de Regering van Ierland, die de Regeringen van de overige Lid-Staten daarvan op de hoogte brengt, ervan kennis geven dat deze overeenkomst op de Faeröer en op Groenland van toepassing is.

De bepalingen van deze overeenkomst zijn voor wat betreft de Franse Republiek slechts van toepassing op het Europees grondgebied van de Franse Republiek.

De bepalingen van deze overeenkomst zijn voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden slechts van toepassing op het grondgebied van het Rijk in Europa.

De bepalingen van deze overeenkomst zijn voor wat betreft het Verenigd Koninkrijk alleen van toepassing op het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. Zij zijn niet van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door het Verenigd Koninkrijk worden behartigd, tenzij het Verenigd Koninkrijk een verklaring van het tegendeel aflegt. Een dergelijke verklaring kan te allen tijde worden afgelegd door middel van een mededeling aan de Regering van Ierland die de Regeringen van de andere Lid-Staten daarvan in kennis stelt.

Art. 20.

Ten aanzien van deze overeenkomst mag geen voorbehoud worden gemaakt.

Art. 21.

  1. Deze overeenkomst staat open voor toetreding door elke Staat die Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen wordt. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Regering van Ierland.
  2. Zij treedt ten aanzien van elke Staat die ertoe toetreedt, in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op de datum van nederlegging van de akte van toetreding.

Art. 22.

  1. Deze overeenkomst dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Regering van Ierland.
  2. De Regering van Ierland stelt de Regeringen van de andere Lid-Staten in kennis van de nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
  3. Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op die waarin de nederlegging heeft plaatsgevonden van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de ondertekenende Staat die deze formaliteit als laatste verricht. De Staat bij wie de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring zijn nedergelegd, stelt de overige Lid-Staten in kennis van de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt.